Concert  27 januari 2008

 

  Arie de Bruijn, klavecimbel

Jean Telder, orgel

 

FRANSE EN DUITSE BAROK

 

1. Fantasia in c ( BWV 562/1)                                   Johann Sebastian Bach  1685 - 1750

                                                                                                                        

 

2. Suite IX: 'Uranie'                                                    Johann Kaspar Ferdinand  Fischer  1665 - 1746

    uit de 'Musikalischer Parnassus'                                                              

                a. Toccata

                b. Allemande

                c. Courante

                d. Sarabande

                e. Gavotte

                f. Gigue

                g. Passacaglia

 

3. Partite diverse sopra :                                            Johann Sebastian Bach

    Ach, was soll ich Sünder machen?   (BWV 770)

 

4. Passacaille                                                             Louis Couperin    1626 - 1661

                                                                                                                        

5. L 'Aimable                                                               Pancrace Royer    1705 - 1755

 

6. La Forqueray                                                         Jacques Duphly   1715 - 1789

                                                                                                                         

7. Praeludium en Fuga in C  (BWV 547)                   Johann Sebastian Bach

 

klavecimbel: 2, 4, 5, 6

orgel: overige werken

 

Toelichting

De opening van het concert betekent direct een verrassing: men zou bij een Fantasia van Bach (BWV 562/1) een virtuoos stuk vol cadenzen verwachten, het tegendeel is echter het geval: een rustig en haast melancholiek werk zet de toon voor deze middag. Het werk klinkt zonder de Fuga (BWV 562/2), van welke slechts een fragment overgeleverd is. Zoals we vaker zien bij onvoltooide werken, hebben ook in het geval van deze Fuga verscheidene componisten een poging gewaagd in de geest van Bach het werk te voltooien, onder andere Wolfgang Stockmeier en Zoltán Göncz (zie internet: http://www.virtuallybaroque.com/track710.htm).

    Johann Kaspar Ferdinand Fischer

Fischer was aanvankelijk kapelmeester aan het hof van Sachsen-Lauenburg en in 1695 trad hij in dienst van de markgraaf Lodewijk Willem van Balen, welke in Rastat een indrukwekkend paleis liet bouwen, naar voorbeeld van Versailles. Fischer werkte er tot zijn dood en schreef in deze tijd veel geestelijke en wereldlijke muziek. Veel muziek ging verloren en van de bewaard gebleven werken is ‘Musicalischer Parnassus’ (1738) een belangrijke verzameling klavecimbelmuziek met negen suites. Deze werden genoemd naar de negen Muzen, ook wel Parnassides genoemd, naar hun woonplaats op de Parnassus. De muze Urania is de muze van de sterrenkunde. Fischer beheerst de techniek van het contrapunt uitstekend en wist veel van de Franse Barokstijl, zo schreef Carl Philipp Emanuel Bach, wanneer deze zijn vader citeert: Johann Sebastian Bach beschouwde Fischer als één van de grootste componisten van zijn tijd.

De Partita van Bach ‘Ach was soll ich Sünder machen’ is volgens Pieter Dirksen (Het Orgel, nr 95, 1999) oorspronkelijk geschreven voor klavecimbel. Dirksen betoogt dat Bach, ondanks diens jeugdige leeftijd, een nieuw concept geeft met rijk contrapunt, rijke harmonie en consistent gebruik van motieven. Van zijn leermeester Böhm neemt hij het voorbeeld over de laatste variaties muzikaal sterk uit te breiden, met samenvoeging van Midden- en Noordduitse elementen. Het bronnenmateriaal en analyse wijzen erop dat de Partita ontstond in Arnstadt, omstreeks 1706.

    Louis Couperin

Louis Couperin behoort tot de eerste generatie van een illustere dynastie van musici, waarvan de bekendste vertegenwoordiger zijn neef François Couperin is, ook wel ‘Le Grand’genoemd. Vanuit stilistisch standpunt volgt Louis Couperin de traditie van het klavecimbelspel uit de zeventiende eeuw: door Chambonnières en d’Anglebert, maar ook door Italianen als Frescobaldi liet hij zich beïnvloeden, evenals door Frescobaldi’s Duitse leerling Froberger. Zijn Passacaille is een breed uitgesponnen werk, waarbij de speler de ruimte krijgt om op een zich herhalend basmotief rijk versierd uit te pakken bij het vertolken van de overige stemmen.

 

 

  Royer

Royer was organist en klavecinist en vestigde zich in 1725 in Parijs, waar hij les gaf in zang en klavecimbel. Vanaf 1748 was hij ruim een jaar artistiek leider van Le Concert Spirituel, het gezelschap dat de beroemde openbare uitvoeringen in de Tuilerieën verzorgde . Daar voerde hij onder andere Duitse muziek uit van Graun en Stamitz.

Zijn verzamelde Pièces de Clavecin (Premier livre, Parijs 1746) is een bundeling van zeer verschillende stukken in uiteenlopende sferen. ‘L’aimable’ (met de toevoeging Gracieux) is in de opeenvolging van de stukken een rustpunt. Het werk in g kleine terts is geschreven in de vorm van een rondeau, ofwel een zich herhalend refrein met tussenliggende coupletten.

Duphly werd geboren in Rouen en leerde het vak bij François d’Agincourt, welke op zijn beurt zijn kennis had opgedaan bij Boyvin en Lebèque. Duphly was aanvankelijk organist in Evreux en Rouen en verhuisde nadien naar Parijs, waar hij na een carrière als klavecinist en componist uiteindelijk, daags na de bestorming van de Bastille, eenzaam overleed.

‘La Forqueray’ is een werk waarin de baskant van het klavecimbel voluit kan ‘ronken’: ook hier een rondeau, waarbij een een melancholische sfeer wordt opgeroepen door gebruik van de toonsoort f kleine terts. Let u vooral in het derde couplet op de fraaie gebroken akkoorden, welke zo karakteristiek zijn voor de schrijfwijze voor klavecimbel.

Bach

Bach’s Praeludium en Fuga in C zou rond 1744 gecomponeerd zijn en kreeg de bijnaam ‘Leipzig’. De statige prelude heeft een dansant karakter en de wiegende 9/8-maat draagt daartoe bij. Door het hoofdmotief - ook terug te vinden is in de Cantate nr. 65 ‘Sie werden aus Saba alle kommen’, voor het feest van Driekoningen - wordt het werk ook als ‘kerstprelude’ betiteld, temeer daar in de doorwerking het beginmotief van het kerstlied ‘Vom Himmel hoch’ klinkt. In de bondige vijfstemmige fuga komt het korte thema vijftigmaal voor en wordt direct in drie stemmen weergegeven, telkens op één maat afstand inzettend. Een lange doorwerking zowel van het thema als van de omkering, gaat de intrede vooraf van het pedaal waar het thema breed en voornaam in lange notenwaarden klinkt. Het slot klinkt majestueus, gesteund door een lange pedaalnoot.

TR