Concert 31 augustus 2008

    Arco van Zon, hobo

  Ko Zwanenburg, orgel

 

Programma

1. hobo en orgel

Triosonate I in Es, BWV 525                                                         Johann Sebastian Bach (1685-1750)

    -Allegro moderato

    -Adagio

    -Allegro

 

2. orgel

Preludium en fuga in d, BWV 539                                                 Johann Sebastian Bach

 

3. hobo en orgel

Fantasia in f, für Oboe und Orgel                                                  Johann Ludwig Krebs (1713 – 1780)

    à 2 Claviere è Pedale

 

4. orgel

Uit Dreißig Spielstücke für die Kleinorgel oder                              Hugo Distler (1908 – 1942)

andere Tasteninstrumente opus 18 (1938)

    Spielstück 1

    Spielstück 2

    Spielstück 3

    Spielstück 4

    Spielstück 5

    Spielstück 6

    Spielstück 7

    Spielstück 9

    Spielstück 10

    Spielstück 11

 

5. hobo

Touches (1982)                                                                             Peteris Vasks (geb.1946)

 

6. hobo en orgel

Partita per Corno Inglese e Organo manualiter (1954)                Jan Koetsier (1911 – 2006)

    I Liberamente

    II Larghetto

    III Vivace

    IV Largo

    V Andante sostenuto

 

Programmatoelichting

Wie de ontstaansperioden van de muziekwerken in dit concert beziet, zal opmerken dat het optreden van Arco van Zon en Ko Zwanenburg in twee delen uiteenvalt. Allereerst werk van Bach en diens lievelingsleerling Krebs, vervolgens werken uit de twintigste eeuw.

  afbeelding Krebs

 

De triosonates van Bach zijn rond 1710 in Bach’s tweede periode te Weimar ontstaan en zijn geschreven voor orgel of wellicht voor clavecimbel met pedaal. De zes sonates zijn alle driedelige werken die voor de speler steeds weer een uitdaging zijn: drie zelfstandige stemmen wedijveren met elkaar in rechterhand, linkerhand en pedaal. De eerste sonate wordt in dit concert uitgevoerd op een wijze waarbij de hoboïst één stem vertolkt en de organist de twee andere stemmen voor zijn rekening neemt.

Bij de Fantasia van Krebs is zelfs sprake van een stemvoering in vier partijen: boven het triospel van de organist klinkt een vierde zelfstandige stem uit de hobo.

  detail doopvont Georgenkirche Eisenach, de plek waar Bach in 1985 gedoopt werd. (foto: Tjalling Roosjen, 2008)

 

Voordien klinkt van Bach diens Preludium en fuga in d, BWV 539. Het werk is ontstaan te Leipzig rond 1725. Het Preludium is manualiter gedacht en geschreven in de stijl van Pachelbel en van Bach’s Kleine Präludien und Fugen. De Fuga is door Bach eerder rond 1720 geschreven in versies voor luit (BWV 1000) en viool-solo (BWV 1001). De klanksfeer van luit en viool zijn herkenbaar in de wijze waarop Bach met veel korte rusten als het ware op orgel pizzicato speelt, dat wil zeggen het tokkelen van de snaar op een strijkinstrument.

 

  Hugo Distler

 

Dit jaar wordt alom herdacht dat Hugo Distler 100 jaar geleden geboren werd. Op negentienjarige leeftijd ging hij naar Leipzig en studeerde hij bij Günther Ramin, welke als opvolger van Karl Straube cantor van de Thomaskirche te Leipzig werd, de plek waar Bach tot zijn dood werkte. Het is bekend, dat Distler de orgelwerken van Bach ook goed gekend heeft. In zijn periode te Lübeck (1931-1937), waar Distler in de St.Jacobi werkte en aldaar zeer gecharmeerd was van het historische kleine orgel, heeft hij zich vooral intensief beziggehouden met de muziek van Schütz, welke in de dagen van Distler herontdekt was.

Na zijn vertrek naar Stuttgart in 1937 zou het vooral zijn heimwee naar het kleine orgel te Lübeck geweest zijn, dat Distler er toe dreef een huisorgel van belangrijke omvang te laten bouwen (15 registers, verdeeld over twee klavieren en vrij pedaal).

Voor dit instrument schreef hij zijn Dreißig Spielstücke. De dertig miniaturen kan men in een aantal eenheden groeperen. De eerste vier kan men als een sonatine opvatten, de nummers 6 en 7 als een Toccata en Fuga. De nummers 12-30 worden gevormd door drie reeksen variaties op wereldlijke en geestelijke wijzen.

 

  Peteris Vasks

 

De componist Peteris Vasks (geboren1946, Letland) komt uit een gezin, dat vanwege de religieuze achtergrond – zijn vader was predikant – nog meer dan andere te lijden had onder het Sovjetregiem. Vasks zocht zijn heil in Litouwen en bekwaamde zich daar op de contrabas. Later studeerde hij in zijn geboorteland compositie.

Tot 1991 componeerde hij met name instrumentale muziek en vermeed hij de schijn van iedere politieke lading in zijn werk. Vasks publiceerde avant-gardistische en spirituele stukken; de roep van vogels liet hij meermalen klinken als symbool voor vrijheid.  Later richtte hij zich meer op religieuze genres. Zijn werk wordt vaak vergeleken met composities van onder andere Arvo Pärt, Henryk Górecki en John Tavener. 

Belangrijke thema’s in de muziek van Vasks zijn hoop en de relatie tussen mens en natuur en zo laat hij op zijn eigen wijze waarschuwingen uitgaan voor wat betreft het dreigende morele en ecologische verval.

  Jan Koetsier

 

De in ons land tamelijk onbekende Jan Koetsier werd in 1911 geboren in Amsterdam. Hij studeerde piano, directie en compositie in Berlijn. In de jaren veertig was hij assistent-dirigent bij achtereenvolgens het Residentieorkest in Den Haag en bij het Amsterdamse Concertgebouworkest, dat toen onder leiding stond van Willem Mengelberg. In 1950 vestigde Koetsier zich in het toenmalige West-Duitsland, waar hij eerste dirigent werd van het symfonieorkest van de Beierse omroep. Die functie bekleedde hij tot 1966. Daarna legde hij zich meer toe op lesgeven en componeren. Hij componeerde veel, met name voor koperblazers en kamermuziek. Deze partita is gecomponeerd voor de Corno Inglese, ofwel Engelse hoorn, een andere benaming voor althobo. Het werk heeft vijf delen;In het laatste deel klinkt de bekende melodie Wie schön leuchtet der Morgenstern.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

s)