Concert 27 april 2008

 

  St. Joris Kamerkoor o.l.v. Bas Ramselaar

  Tjalling Roosjen, orgel

 

Programma: ‘Singet dem Herrn ein neues Lied’

 

1.  Modus ludendi pleno Organo pedaliter a 6                                                       Samuel Scheidt (1587 – 1654)

     (Tabulatura nova III/19, 1624 - SSWV 157)

 

2. uit: Psalmen Davids (1619), Cantiones Sacrae (1625)                                        Heinrich Schütz (1585 – 1672)

    & Geistliche Chormusik (1648 + 1657):

    - ‘Aus der Tiefe ruf’ ich, Herr, zu dir’, SWV 25 (Ps. 130; dubbelkorig + BC)

    - ‘Die mit Tränen säen’, SWV 378 (Ps. 126 : 5, 6; vijfstemmig)

 

3. Curant (Tabulatura nova I/8, 1624 - SSWV 109)                                                 Samuel Scheidt 

 

4. Uit: Israels Brünnlein (1623)                                                                                Johann H. Schein (1586 – 1630)

    - ‘Die mit Tränen säen’ (Ps. 126 : 5, 6; vijfstemmig)

 

5. Fantasia in G (nr. 27, tweede variant op nr. 21)                                                              Heinrich Scheidemann (1595 – 1663)

 

6. - Verba mea auribus percipe, Domine’, SWV 61 (Prima pars)                            Heinrich Schütz

    - Quoniam ad te clamabo, Domine’, SWV 62 (Secunda pars)

 

7. Praeambulum in d (nr. 4)                                                                                     Heinrich Scheidemann

 

8 - ‘Verleih uns Frieden genädiglich’, SWV 372 (Prima pars; vijfstemmig)              Heinrich Schütz

   - ‘Gib unsern Fürsten’ SWV 373 (Secunda pars; vijfstemmig)

 

9. Praeambulum in e (nr. 10)                                                                                   Heinrich Scheidemann

 

10. - ‘Meine Seele erhebt den Herren’, SWV 426 (Deutsches Magnificat; + BC)   Heinrich Schütz

 

11. - ‘Was betrübst du dich, meine Seele’                                                               Johann H. Schein

      (Ps. 42 : 12 + Ps. 43 : 5; vijfstemmig + BC)

 

12. Praeambulum in G (nr. 13)                                                                                Heinrich Scheidemann  

 

13. - ‘Das ist je gewisslich wahr’, SWV 277, 1630 (zesstemmig)                            Heinrich Schütz 

      - ‘Singet dem Herrn ein neues Lied’, SWV 35 (Ps. 98; dubbelkorig + BC)

 

 

Toelichting: Singet dem Herrn ein neues Lied

Onder deze titel geeft het St. Joris Kamerkoor onder leiding van Bas Ramselaar dit concert met muziek van twee grootmeesters uit de zeventiende eeuw: Johann Hermann Schein en Heinrich Schütz. Twee zaken spelen een rol in het werk van de beide meesters: de overgang van de Renaissance naar de Barok en de Dertigjarige Oorlog.

  Johann Hermann Schein

Johann Hermann Schein (1586-1630)

Na enkele kortere verbintenissen werd hij in 1616, als opvolger van Calvisius, benoemd tot Thomaskantor ('Director musici chori') in Leipzig. Net als later Bach in dezelfde functie kreeg hij te maken met personele en organisatorische moeilijkheden die aan de functie verbonden waren.

Hij hield zich onder andere bezig met het Italiaanse madrigaal; een vocale muziekvorm die zeer populair was in de 16e tot en met het begin van de 17e eeuw. Een madrigaal telt dan vier tot zes polyfone stemmen op een niet-religieuze tekst. Het belangrijkste resultaat van Scheins belangstelling voor madrigalen vormen de 26 geestelijke madrigalen van het ‘Israels Brünnlein’ (1623), waarover straks meer.

Schein was al vroeg ziekelijk. In zijn laatste levensjaren zocht hij in Karlsbad vergeefs genezing van de kwalen ‘Podagra und Lendenstein’ en van ‘Schwindsucht’. Bij zijn overlijden schreef Schütz, die de zieke Schein bezocht, op diens verzoek het zesstemmige motet ‘Das ist je gewißlich wahr’. Nog in 1690 werd Schein erom geroemd dat hij ‘in stylo madrigalesco keinem Italiener, viel weniger einem anderen, etwas nachgeben dürfen’.

  Heinrich Schütz  

Heinrich Schütz (1585-1672)

Schütz, eerst voorbestemd voor een juridische carrière, besloot pas later tot een leven als musicus. Dat kwam onder andere door ingrijpen van Landgraaf Moritz, die hem een beurs verleende voor studie bij Giovanni Gabrieli in Venetië. Schütz verbleef er van 1609 tot 1613. Een tweede verblijf in Venetië, Schütz was toen al lang in dienst van het Dresdener hof, volgde in 1628/1629. Daar was de situatie sinds de benoeming van Monteverdi in 1613 grondig veranderd. Hoewel er maar weinig aanwijzingen voor zijn dat Schütz bij Monteverdi in de leer is geweest, is diens invloed op Schütz´ muziek onmiskenbaar.

Vanaf de jaren dertig ontstonden zorgen over de instandhouding van de hofkapel, nu de Dertigjarige oorlog ook voelbaar werd in Kursachsen. Schütz kon uitwijken naar Denemarken waar Christian IV hem uitnodigde om in 1633 de muzikale festiviteiten rond het huwelijk van de Deense kroonprins te leiden. Er zouden nog verscheidene Deense reizen volgen.

Op de leeftijd van 60 jaar diende Schütz een verzoek in om pensionering, maar dat bleef voorlopig zonder succes. Totdat hij in 1653, hij was toen 68 jaar, in zijn zoveelste verzoek schreef: ‘... das lieber den todt als lenger so thanen bedrengten zustandt bey zu wohnen, Ich mir wünschen wolte’. Zijn verzoek werd pas in 1656 ingewilligd. Hij hoefde nu alleen nog bij bijzondere gelegenheden als kapelmeester op te treden. De kapel was inmiddels na de beëindiging van de 30-jarige oorlog weer op volle sterkte van 50 leden.

 

Tijdgenoten noemden Schütz ‘Parentem nostrae Musicae modernae’. In 1690 wordt nog vermeld dat Schütz rond 1650 ‘für den allerbesten teutschen Comp. gehalten’ werd.

Het Becker-Psalter werd nog tot rond 1800 in de Dresdener slotkerk gebruikt. Daarbuiten raakte Schütz' werk in de vergetelheid. Van zijn werk gingen alle opera's verloren. Schütz moet een kundige organist zijn geweest, maar composities voor dat instrument zijn ook niet overgeleverd.

 

Over het programma

Scheins ‘Israels Brünnlein’ bevat 26 stukken, waarvan er 23 van deze ‘auff Italian-Madrigalische Manier’ gecomponeerde ‘Krafft-Sprüchlinstaan op teksten uit het Oude Testament, en daarvan elf op Psalmteksten. De grootsheid van deze composities berust op de manier waarop Schein de madrigaleske stijl laat versmelten met de stijprincipes van de traditionele motettraditie. Schein gebruikt alle muzikale middelen tot uitdrukking van de tekst: in de afzondelijke woorden klinkt de Italiaanse monodische stijl door; in de polyfonie gebruikt hij imitatieteachniek en akkoordische verdichting.

Van Schütz klinkt onder andere muziek uit een pendant van Scheins ‘Israels Brünnlein’, namelijk de ‘Cantiones Sacrae’, gepubliceerd in 1625. Evenals bij Schein gaat het om geestelijke madrigalen met een uiterst expressieve tekstuitdrukking. Van Schütz klinken dubbelkorige Psalmen uit de Psalmen Davids uit 1619. Deze verraden sterk de invloed van zijn leermeester Gabrieli: dubbelkorige werken waarin klankblokken elkaar afwisselen.

Orgelwerken

  Samuel Scheidt

Samuel Scheidt werd geboren te Halle, waar zijn ouders deel uitmaakten van de plaatselijke elite. Ook zijn broers Gottfried en Christian werden organist, maar van hen drieën is Samuel de bekendste musicus uit de familie. Hij verbleef in 1607-1608 langere tijd in Amsterdam als leerling van Jan Pieterszoon Sweelinck. Hij liet ongeveer 700 vocale en instrumentale werken na, welke tijdens zijn leven in druk verschenen, onder andere de lijvige drie bundels klaviermuziek ‘Tabulatura nova’ (1624).

Scheidt’s ‘Modus lundendi pleno Organo pedaliter’ is een bondige en krachtige opening van het programma. Niet alleen door gebruik van het Volle Werk – alle registers uit de familie van Prestanten, bekroond met de Mixtuur – maar zeker ook door de toepassing van dubbelpedaal, wordt een sfeer geschapen die doet denken aan de Venetiaanse muziek van de Gabrieli’s en zo mag het stuk werken als ‘opmaat’ naar de meerkorigheid in de koorwerken.

Scheidt’s ‘Curant’ – de oud Duitse benaming voor de snelle driedelige dansvorm Courante – is een luchtig intermezzo, gespeeld de hoge fluiten van het orgel.

 

  Heinrich Scheidemann)

De werken van Heinrich Scheidemann zijn door hun vrije vormen een welkome afwisseling met de intense koorwerken in dit programma. De in Hamburg werkzame Scheidemann was is zijn tijd een gevierd componist. Hij toont zich enerzijds de leerling van Sweelinck (van 1611-1614 verbleef hij in Amsterdam), alleen al getuige de toepassing van echo-effecten in zijn Fantasia in G en het grootse Praeambulum in G, anderzijds gaat hij nieuwe wegen door de polyfonie uit de tijd van Sweelinck aan te passen in de richting van een meer homofone schrijfwijze. In 1629 werd hij te Hamburg organist van de St.-Catherinenkirche, een post die hij tot aan zijn dood zou bekleden.

De nummering van de orgelwerken in dit programma verwijst naar de uitgave van Werner Breig (Scheidemann, Band III, Bärenreiter, 1971).