CONCERT 29 juli 2007

Tanja Obalski – sopraan

Tjalling Roosjen – orgel

 

1. Toccata Ottava                                                            Girolamo Frescobaldi              (1583-1643)

    Uit: Il primo libro di toccate, Rome 1627

 

2. - O Jesu mi dulcissime                                                 Girolamo Frescobaldi

    - Exultavit cor meum

 

3. Toccata quinta (sopra i pedali per l’organo e senza)  Girolamo Frescobaldi

    Uit: Il secondo libre di toccate, Rome 1627

 

4. - O quam tu pulchra es                                                Alessandro Grandi                  (ca.1575-1630)

   - O dulce nomen Jesu

   - Tota pulchra es

 

5. Canzon in g                                                                  Hans Leo Hassler                  (1562-1612)

 

6. - Laudate Dominum (1641)                                           Claudio Monteverdi               (1567-1643)

   - Exulta filia Sion

 

7. Capriccio in a ( FbWV 502)                                          Johann Jakob Froberger       (1616-1667)

    Uit: Libro di capricci e ricercate, ca. 1658

 

8. - O Jesu, nomen dulce, SWV 308                                Heinrich Schütz                     (1585-1672)

    - O süßer, o freundlicher, SWV 285

    - Ich will den Herren loben allezeit, SWV 306

 

Toelichting

In dit concert klinken werken van Italiaanse en Duitse componisten uit de zeventiende eeuw.

De luisteraar kan gewaar worden dat een via aantal relaties "leraar-leerling", als onder beschreven, de vroege Italiaanse muziek van grote invloed was op de ontwikkeling van de componisten die in het zuiden en midden van Duitsland werkzaam waren.

De orgelwerken van Frescobaldi (1,3) maken onderdeel uit van een aanzienlijk groot klavier-oeuvre. Zijn componeertrant vertoont invloeden van zijn leraar Luzzaschi, maar ook van Merulo en de beide Gabrieli’s. In de voetsporen van de edelman Bentivoglio verbleef hij rond 1607 in Brussel, waar hij kennis maakte met organisten als Pieter Cornet en Peter Philips. Terug in Rome verschenen verscheidene bundels klaviermuziek in druk en zijn canzona’s en ricercares werden vaak gebruikt in de liturgie. De toccata’s van Frescobaldi bevatten canzoneachtige secties en laten de speler een grote mate van vrijheid wat betreft tempo en articulatie.

De werken kunnen zowel op klavecimbel als orgel uitgevoerd worden, Echter, in "Il secondo libro di toccate" zijn vier toccata’s nadrukkelijk bedoeld voor orgel, waaronder de toccata "sopra i pedali…" (3). Aan het eind van zijn toccata’s noteerde Frescobaldi "Non senza fatiga si giunge al fine"(het einde bereikt men niet zonder moeite). Laten we hopen dat dit niet van toepassing is op dit concert!

In de motetten van Frescobaldi (2) worden respectievelijk Jezus en de oudtestamentische Heer (1 Samuël 2) bezongen.

Alessandro Grandi (4) was onder andere assistent van Monteverdi in de San Marco te Venetië. Drie van zijn meeslepende solomotetten klinken in dit programma. Begonnen wordt met het bekende "O quam tu pulchra es" met citaten uit de hoofdstukken 2 en 4 van het Hooglied.

De Duitser Hans Leo Hassler staat in een directe relatie tot de Italiaanse traditie: hij studeerde in rond 1584 achttien maanden in Venetië in de omgeving van de Gabrieli’s. In zijn muzikale ontwikkeling werd hij tevens beïnvloed door Orlando di Lassus. Hoewel hij zelf protestant was, schreef hij werken voor zowel de Rooms-katholieke als de Lutherse traditie. Hassler was voorganger van Schütz in Dresden.

Zijn Canzona (5) is een vrolijk werk vol echo-imitaties en wordt in dit concert gespeeld met onder andere de Trompet van het Hoofdwerk.

De extatische werken van Monteverdi (6) zijn onder kenners van oude muziek welbekende juweeltjes. In Laudate Dominum wordt de tekst van Psalm 150 gevolgd en is te horen hoe de verschuivende ritmen (van driedelig naar tweedelig maat) een dansante sfeer oproepen.

De Capriccio in a (7) van Froberger is een compact werk in zes onderdelen, waarbij de registraties alle gekozen zijn uit het Prestanten-plenum van het Nijsse-orgel. Froberger studeerde aanvankelijk bij Luzzaschi en later in 1637, het jaar dat hij organist werd aan het hof te Wenen, ook een aantal maanden bij Frescobaldi. Froberger reisde met Ferdinand III veelvuldig door Europa en maakte zo ook kennis met de Franse stijl.

Het programma wordt besloten met werken van Heinrich Schütz. Hij studeerde ook in Italië, van 1609-1612 bij Giovanni Gabrieli en in 1628 bij Monteverdi.

(TR)

 

Recensie Gooi- en Eemlander, 31 juli 2007

 ITALIAANS VUURWERK TANJA OBALSKI

Duitse en Italiaanse muziek uit de eerste helft van de 17e eeuw stond centraal tijdens het zondagmiddagconcert in de Soester Open Hof. Tjalling Roosjen, de vaste organist van deze kerk, begeleidde zangeres Tanja Obalski. In zijn interessante mondelinge inleiding legde hij uit dat die Italiaanse en Duitse componisten betrekkelijk veel van elkaar wisten. Men reisde veel en ook gingen Duitse componisten in de leer bij hun Italiaanse collega’s.

Voor de Toccata ottava van Girolamo Frescobaldi nam hij zijn plaats in bij het orgel en viel als het ware aan op de toetsen. Hoewel de muziek van Frescobaldi wel eens  wat nuchtertjes kan zijn, bleken zowel deze toccata als de Toccata quinta pakkende muziek te zijn, met gewaagde dissonanten. Roosjen speelde ze vrij en vol overgave. Hij stond volledig boven deze muziek die klonk als een zangstuk. Die zangerigheid bespeurde ik niet in het Capriccio van Froberger dat veel stijver was. Toch wel erg Duits dacht ik toen, hoewel Froberger in de leer was geweest bij diverse Italiaanse componisten, waaronder juist ja, Frescobaldi.

Voor het ‘echte’ vocale werk trad de jonge sopraan Tanja Obalski aan.  Haar verrassend welluidende en heldere stem was een waar genot om naar te luisteren. Het moeilijke vroeg-Italiaanse repertoire leek technisch voor haar geen enkel probleem. En ook muzikaal kende haar palet een rijkdom aan kleuren. Na twee ingetogen geestelijke motetten van Frescobaldi kwam zij in de drie werken van Alessandro Grandi helemaal los. Voor de hoogliedteksten ‘O quam tu pulchra es’, ‘O dulce nomen Jesu’ en ‘Tota pulchra es’ had je niet eens het programmablad nodig, haar dictie was zo voortreffelijk dat je elk woord, elke letter kon verstaan. En dan die ingewikkelde versieringen die zij met grote natuurlijkheid uitvoerde!

De twee tamelijk bekende composities van Monteverdi werden opgewekt en expressief uitgevoerd. De drie geestelijke stukken van Heinrich Schütz waren meer ingetogen. Hiermee liet Obalski horen dat zij ook gevoel heeft voor de verhalende, vertellende kant van de muziek.

Josée Zuiver

 

De Soester Courant - woensdag 1 augustus 2007

Een concert voor fijnproevers door twee Soester musici in De Open Hof

Het op zondag 29 juli gegeven concert door Tanja Obalski, sopraan  en Tjalling Roosjen, orgel kan worden bijgeschreven op de lijst van wel zeer goed geslaagde concerten. Naar schatting rond de negentig bezoekers hebben kunnen genieten van een programma van oude muziek van Frescobaldi, Grandi, Monteverdi, Hassler, Froberger en Schütz.In het komende Festival Oude Muziek te Utrecht zou dit concert zondermeer passen. 

In de samenstelling van het programma is duidelijk de rode draad van leraar en leerling te herkennen. Muzikanten in spé gingen immers in de leer bij leermeesters die wijd en zijd bekend waren tot ver over de grenzen van hun woongebied heen. Vanuit Rome loopt de lijn via  Frescobaldi naar Venetië, waar Monteverdi vele jaren zijn stempel drukte op de wereld van de opera- en kerkmuziek. Zijn leerling Schütz ging na zijn studie te hebben afgerond in Dresden zijn eigen weg. In vrijwel alle werken van deze toondichter is evenwel de sfeer van werken van zijn leermeester overduidelijk te herkennen. Al met al voor de met de muziekgeschiedenis vertrouwde concertbezoeker alle reden de verwachtingen hoog te spannen. Men is niet teleurgesteld naar huis terug gegaan.

De vocale werken, alle met een kerkelijk gebonden tekst, vrij geschreven dan wel aan de bijbel ontleend, werden afgewisseld met zorgvuldig geselecteerde orgelwerken uit de Italiaanse en Duitse school.

Het is zeker voor een organist geen eenvoudige zaak het Italiaanse renaissance-orgel te vertalen naar een oer-Hollands klinkend instrument uit 1997.

Van Frescobaldi werden de Toccata Ottava en de Toccata Quinta gespeeld. De Toccata Ottava was tot in de fijnste belijning te volgen, mede door de niet-evenredige stemming van het orgel; de tweede toccata vraagt om een zeer brede vocale orgelklank, die wij helaas moesten ontberen. Evenwel deed dit in het geheel geen afbreuk aan de interpretatie. Een uitvoering zoals zondagmiddag te beluisteren viel vraagt een gedegen voorstudie. Het werken is beloond! De Canzon van Hassler en het Capriccio van Froberger mochten zeker niet in de lijn van het programma ontbreken. Mede door de weloverwogen frasering van deze werken luisterde men geboeid.

De ster van de middag was de in Soest wonende sopraan Tanja Obalski. Zo met een soliste van dit formaat te mogen werken moet de begeleider wel stimuleren geen gelegenheid onbenut te laten haar ster voluit te laten schitteren. We hebben geluisterd naar een zeer groot zangtalent, die haar sporen al heeft verdiend door deel uit te maken van diverse gespecialiseerde ensembles, waaronder de Nederlandse Bachvereniging, het Collegium Vocale Gent en de Rheinische Kantorei. Naar verluidt, was het concert in De Open Hof haar eerste concert als soliste. De coloraturen klonken in het hoge register als de trillers van de nachtegaal, gezongen met een souplesse die velen van haar collega's node missen. Voeg hiertoe de spat-zuivere intonatie en de tot in de verste hoeken verstaanbare teksten, fraai gefraseerd, gestoeld op een intelligent toegepaste ademtechniek: dan weet men met een groot talent van doen te hebben, die in Europa en wellicht daarbuiten nog veel van zich mag laten horen.

 Tjalling Roosjen had zich tot taak gesteld de continuo-partijen uit de becijferde bas zelf uit te werken. De ervaring heeft ons geleerd, dat hij deze techniek uitstekend beheerst. Hij verstaat ook de kunst de vocalist als 'zanger' te volgen, waardoor de stem en het orgel een ware eenheid vormen.

De werken van Frescobaldi klonken ingetogen, dit in tegenstelling tot het echt spetterende Laudate Dominum en het Exulta filia Sion van Monteverdi. Het was, te zamen met de in de lijn van Monteverdi door Schütz geschreven werken, waaronder het wel zeer bekende Ich will den Herren loben allezeit  een in alle opzichten boeiend concert. Één van de trouwe concertgangers liet zich bij het verlaten van De Open Hof ontvallen, dat dit concert toch wel het mooiste was, dat in de afgelopen tien jaar is gegeven. Ik wil mij hier graag bij aansluiten.

 

Wijnand Huisman