CONCERT 22 APRIL 2007      

 

 

Tjalling Roosjen – orgel en Mirjam Feijer – sopraan

 

PROGRAMMA

1. Preludium in F                                                                                Petrus Hasse        

                                                                                                           ca.1585-1640

 

2. - Eile mich, Gott, zu erretten (SWV 282)                                        Heinrich Schütz          

    - Bringt her dem Herren (SWV 283)                                              1585-1672               

 

3. Preludium in g                                                                                Franz Tunder  

                                                                                                          1614-1667

 

4. - Domine Deus meus (Psalm 30)                                                   Constantijn Huijgens  

    - Domine spes mea (Psalm 71)                                                     1596-1687               

    (Uit: Pathodia Sacra et Profana, 1647)                                                

 

5. Passacaglia in d (BuxWV 161)                                                      Dietrich Buxtehude       

                                                                                                          1637-1707

 

6. - Adesto dolori meo                                                                        Herman Hollanders      

    - Antequem comedan            suspiro                                             1600-1650               

 

7. Voluntary in A on “The old hundredth”                                          Henry Purcell

                                                                                                          1659-1695            

 

8. Lord, what is man (Z.192, 1693)                                                   Henry Purcell            

 

9. Preludium in C (BuxWV 137)                                                        Dietrich Buxtehude   

                                                                                                                                               

10. I know that my redeemer liveth                                                   Georg Friedrich Händel

Uit: The Messiah                                                                              1685-1759   

 

Toelichting

Het programma van deze middag heeft een kerkelijk karakter. Zowel in de soli voor sopraan als in de orgelwerken wisselen bekende en onbekende werken elkaar af.

 

  Heinrich Schütz

De beide korte werken van Schütz (nr. 2)  zijn afkomstig uit zijn “Kleine Geistliche Konzerte”, een gevarieerde verzameling kerkelijke muziek voor één of meer zangstemmen en contiuno.

 

  Constantijn Huijgens

Constantijn Huijgens (nr. 4) heeft de nodige psalmen getoonzet, niet op de ons bekende Geneefse wijze, maar als ‘airs’ in een verfijnde stijl. Huijgens was autodidact op muzikaal gebied en heeft  gamba gespeeld in het Amsterdamse Collegium Musicum dat door Sweelinck werd geleid. Een exemplaar van de ‘Pathodia sacra et Profana’ stuurde hij naar Froberger, die hem ermee complimenteerde.

 

Van Herman Hollanders (nr. 6) is alleen bekend dat hij van 1618 tot 1623  organist was van de Eindhovense Catharinakerk en dat hij in het Belgische Ekeren en in Breda heeft gewerkt. Verder is bekend dat hij getrouwd was en kinderen had en dat hij geestelijke muziek heeft gecomponeerd. Van Hollanders zijn twee bundels bewaard gebleven met in totaal ongeveer 50 werken. In 1979 verschenen er in het kader van de hernieuwde belangstelling voor oude muziek heruitgaven van zijn muziek.  Recent kregen de werken van Hollander meer bekendheid door uitvoeringen door Daan Manneke (Breda) en Ruud Huijbregts (Eindhoven).

 

  Henry Purcell

Het werk van Purcell vertoont een interessante versmelting van de oude Elizabethaanse koortraditie met 'nieuwe' Italiaanse invloeden. Purcell werd getraind als koorjongen in de Chapel Royal, waar hij onder andere les kreeg van John Blow, met wie hij een levenslange vriendschap onderhield. Blow stond zijn post als organist van Westminster Abbey rond 1680 af aan Purcell.  Honderden liederen werden pas in de laatste decennia onder het stof vandaan gehaald, vaak dankzij de toewijding van de countertenor Alfred Deller medio twintigste eeuw. Het relatief lange werk ‘Lord, what is man’ (nr. 8)  is één van de belangrijkste voorbeelden van dit genre.

 

  Georg Friedrich Händel

Händel’s beroemde aria uit The Messiah (nr. 10) behoeft geen nadere introductie. Na het orgelgeweld van Buxtehude klinkt de verstilde aria welhaast bij wijze van toegift.

 

  Marienkirche (foto TR, 2006)

Bij de orgelsoli treft u twee van Buxtehude’s bekendste werken (nr. 5 en 9), naast werk van zijn twee directe voorgangers Hasse en Tunder, beiden organist van de Marienkirche in Lübeck. Als opening van het programma klinkt een Preludium in F van Petrus Hasse. Het is een stuk voor het volle werk met vrij pedaal, nog in de lijn van de directe Sweelinck-leerlingen (nr. 1). Het Preludium van Tunder (nr. 4) met diverse te onderscheiden delen wijst al meer in de richting van de stijl van Buxtehude, wiens driehonderdste sterfdag we dit jaar gedenken.

 

  orgel Marienkirche vóór WO-II

Buxtehude’s bekende Passacaglia in d (nr. 5) is een hecht gebouwd werk dat in een aantal secties verscheidene toonsoorten doorloopt. Er is steeds meer evidentie voor de veronderstelling dat het hier om een laat in zijn leven geschreven werk gaat en dat Bach er terdege kennis van heeft genomen; musicologen vergelijken de laatste jaren de opbouw van Bach’s beroemde Passacaglia in c met de Passacaglia van Buxtehude en stellen vast dat Bach zich door zijn Lübeckse leermeester heeft laten inspireren.

De oorsprong van de passacaglia als muziekvorm vinden we in het Italië en Spanje van de zeventiende eeuw. Het was een term die gebruikt werd voor een enkele frase, meestal bestaande uit vier tot acht maten in een driekwartsmaat. Deze frase, een steeds zich herhalend ostinato in de onderstem, diende dan als basis voor een variatievorm, vergelijkbaar met de chaconne. De laatste vorm horen we in het slotdeel van Buxtehude’s Preludium in C (nr. 9); in dit virtuoze werk horen we de volgende onderdelen: een preludium met pedaalsoli, een tussendeel, een fuga, nog een tussendeel en tenslotte een zeer dansante chaconne voor het volle werk.

 

  handschrift Schieferdecker, opvolger van Buxtehude (foto TR, 2006)

 

Nog niet genoemd is het orgelstuk van Purcell (7), waar de kerkelijk betrokken toehoorder meteen de wijs van psalm 134 herkent. De opbouw van het stuk leunt tegen de principes van de Franse klavecimbeltraditie aan; eerst klinkt de melodie in de linkerhand in de Trompet, later in de rechterhand met de Cornet.

 TR

 

Soester Courant - 25 april 2007

DOORDACHT GEPROGRAMMEERD CONCERT IN DE OPEN HOF

Dit jaar staat voor de rechtgeaarde orgelmuziekliefhebber in het teken van het herdenken van de Duitse componist Dietrich Buxtehude, die met name in de tweede helft van de zeventiende eeuw werkzaam was in Lübeck als cantor-organist van de Marienkirche.

Op het programma van het concert, dat zondagmiddag in De Open Hof werd gegeven werd muzikaal de loper voor Buxtehude uitgelegd. Twee werken, geschreven door Petrus Hasse en Franz Tunder, in functie voorgangers van Buxtehude, gingen vooraf aan de twee orgelwerken van deze meester. Met grote voortvarendheid, technische betrouwbaarheid maar vooral muzikaliteit kregen de orgelwerken hun plaats tussen de vocale composities. Met name de Passacaglia in d werd fraai vorm gegeven, klein geregistreerd, vanaf de eerste tot de laatste noot met de nodige muzikale spanning, gespeeld in het juiste tempo (tempo guisto).

Tjalling Roosjen, de huisorganist van De Open Hof , had de sopraan Mirjam Feijer aan zijn zijde, een nog jong talent met grote muzikale mogelijkheden, zoals wij konden vaststellen.

Zij vertolkte op fraaie wijze de Geistliche Konzerte van Heinrich Schütz. Samen met de begeleider vormde zijn een duidelijk muzikale eenheid. In de ruim bemeten akoestiek van De Open Hof werd de dramatiek, mede door Schütz vanuit Italië in Duitsland geïntroduceerd, haast wat te stevig aangezet, waardoor de zuiverheid hier en daar nadelig werd beïnvloed. Wellicht is de historische stemming van het orgel hieraan ook mede debet.

Met gedrevenheid klonk na het ‘Eile mich, Gott, zu erretten’ het Konzert ‘Bringt her dem Herren’. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken, dat de sopraan wat meer de breedte zocht en de organist de voortgang van de muziek; niet steeds liep men in de pas.

Vrij weinig worden de Psalmen uit de Pathodia et Profana uit 1647 van Constantijn Huijgens

uitgevoerd. Op het programma de psalmen 30 en 71, uiterst boeiend vocaal vertolkt, verstild begeleid vanuit de becijferde bas op orgel. Tjalling Roosjen verstaat de kunst van het weglaten van alle noten die niet strikt noodzakelijk zijn in de begeleiding, waardoor de tekst alle aandacht krijgt. De verstilling onder de toehoorders was duidelijk merkbaar: men kreeg de neiging met de musici te gaan mee ademen.

Ook de composities van Herman Hollanders, de zeventiende-eeuwer uit Eindhoven, werden gekenmerkt dezelfde geest. Deze wijze van uitvoeren wordt vaak node gemist op concerten.

De Voluntary voor orgel op de melodie van de honderdste psalm, bij ons de melodie van psalm 134 van de hand van Henry Purcell, vormde de opmaat tot het ‘Lord, what is a man’ van dezelfde componist. Dit juweel van muziek vraagt van de zanger schier het onmogelijke aan zangtechniek en souplesse in het begeleiden vanuit de becijfering.

Dat er af en toe een nootje wegviel kan men de musici niet euvel duiden. De muzikaliteit had de overhand en voor de muziek komt men in de eerste plaats.

Dit jaar is het voor de tiende keer, dat een serie concerten ‘Orgel met ...’is georganiseerd. Het concert van afgelopen zondag is zonder meer te rangschikken bij de groep van zeer geslaagde concerten. Als de offervaardigheid van de bezoekers niet afneemt, kunnen ook komend jaar weer artiesten van naam worden uitgenodigd hun steentje bij te dragen. Wij zien er naar uit !

Wijnand Huisman