CONCERT 20 MEI 2007

 

Cees van der Poel, orgel

Vespercantorij o.l.v. Jean Telder

Vespercantorij

   Wim Koedijk, bas; Lucia van Vugt, sopraan

Strijkersensemble o.l.v. Jouke v. d. Leest

Tjalling Roosjen, orgel continuo

 

Plaquette in de Marienkirche, Lübeck (foto: TR)

CANTATES EN ORGELWERKEN VAN DIETRICH BUXTEHUDE

Huidige orgel (foto: TR)

Programma:

1. Praeludium in g - BuxWV 149

2. In te, Domine, speravi - BuxWV 53

voor driestemmig koor en basso continuo

3. Mit Fried und Freud ich fahr dahin - BuxWV 76

voorafgaande aan dit orgelkoraal wordt de tekst gezongen in een zetting van

Samuel Scheidt (Görlitzer Tabulaturbuch, - 1650)

4. Jesu, meine Freude - BuxWV 60

voor sopraan, bas, driestemmig koor, strijkers en basso continuo

5. vier orgelkoralen:

a. Vater unser im Himmelreich - Buxwv 219

b. Ein feste Burg ist unser Gott - BuxWV 184

c. Komm, Heiliger Geist, Herre Gott - BuxWV 199

d. In dulci jubilo - BuxWV 199

de liedteksten worden vooraf gezongen in een zetting van Samuel Scheidt.

6. Lobet, Christen, euren Heiland - BuxWV 68

voor sopraan, driestemmig koor, strijkers en basso continuo

7. Te Deum Laudamus

alternatim uitgevoerd met de cantorij (notatie Evangelisches Gesangbuch)

Torens van Rathaus en Marienkirche (foto: TR)

Ruïne Marienkirche in Tweede Wereldoorlog

 

 

CANTATES EN ORGELWERKEN VAN DIETRICH BUXTEHUDE (1637 - 1707)

In de geschiedenis van de muziek van West-Europa wordt een verbinding gelegd tussen de Nederlander Sweelinck, zijn Duitse leerlingen Scheidt en Scheidemann, Dietrich Buxtehude en Bach. Centraal staat Buxtehude in deze lijn, met vandaag een aantal van zijn werken, die worden uitgevoerd rond de herdenking van zijn driehonderdste sterfdag, op 9 mei j.l.. Buxtehude werd op de zestiende mei begraven in de Marienkirche te Lübeck, de kerk, waaraan hij veertig jaar was verbonden als organist, gelegenheidsdirigent en kerkelijk administrateur.

Bekend is het verhaal dat zijn roem in zijn laatste levensjaren zo groot was, dat de jonge Bach in 1706 vier weken verlof vroeg van zijn werkgever in Arnstadt om – naar het verhaal wil – te voet in de Adventstijd naar Lübeck te gaan om de grote man te horen musiceren..
Ironisch genoeg betekende Bachs veel grotere reputatie als (orgel-)componist dat tot vrij kort Buxtehude slechts voornamelijk als voorloper van Bach bekend was. Maar in wezen was hij een groot, zelfstandig werkend componist die de toenmalige verworvenheden van de orgelbouw volledig uitputte en een groot aantal uiterst virtuoze en expressieve orgelwerken schreef in tal van stijlen en genres. Deze composities werden door Buxtehude zelf gespeeld op de destijds eerste openbare concerten in Lübeck.


Over de jonge jaren van Buxtehude is niet veel bekend. Hij zou in Oldesloe geboren kunnen zijn waar zijn vader organist was. Aan het begin van de jaren 1640 verhuisde de familie naar het Deense Helsingör waar Johannes, zijn vader, als organist in dienst trad van de St. Olav- kirke. De jonge Dietrich kreeg les van zijn vader en bezocht waarschijnlijk de Latijnse school in Helsingör.
Toen hij begin twintig was, kreeg hij rond 1657 een aanstelling als organist van de kerk in Helsingborg waar zijn vader voorheen werkte, maar hij keerde na een paar jaar terug naar Helsingör, nu als organist van de Duitse Marienkirche; hij bleef daar tot 1668. Na de dood van Franz Tunder in 1668 werd hij benoemd tot organist van de Marienkirche in Lübeck, een eervolle baan. Lübeck was destijds een van de welvarendste Duitse steden dankzij de handelsactiviteiten van de Hanzeliga. Daar trouwde Buxtehude met één van de dochters van Tunder, Anna Margarethe.

Buxtehudes belangrijkste taak in de Marienkirche was het verzorgen van het orgelspel gedurende de ochtend- en avonddienst op zon- en feestdagen. Daarnaast vervulde hij de functie van Werkmeister, een belangrijke administratieve rol waarin hij verantwoordelijk was voor het financiële reilen en zeilen van de kerk; hij werd daarvoor extra betaald. Maar naast de officiële kerktaken ontwikkelde Buxtehude in het voetspoor van zijn voorganger Tunder een traditie van concerteren en dirigeren in de Marienkiche op vijf zondagen per jaar. Het waren de zogenaamde Abendmusiken die vooral ten gerieve van de rijke koopmansfamilies werden gehouden en waarvoor de kerk werd voorzien van twee nieuwe balkons om in totaal rond de veertig musici te kunnen herbergen. Voor die gelegenheden moet hij oratoria hebben geschreven, slechts weinig is van deze werken bewaard gebleven.


Niet alleen Bach, ook andere componisten ondernamen een pelgrimage naar Lübeck: Johann Mattheson en Georg Friedrich Händel (beide destijds jonge employés van de opera in Hamburg) bezochten Buxtehude in april 1703 als mogelijke opvolgers. Maar geen van beiden wilde voldoen aan de eis met een dochter van Buxtehude te trouwen en zo ging werd Buxtehudes assistent J.C. Schieferdecker vier maanden nadat de componist in 1707 was overleden tot organist benoemd.

Het leeuwendeel van Buxtehudes oeuvre aan gewijde muziek bestaat uit cantates en meestal op psalmen gebaseerde Geistliche Konzerte. De Noord- Duitse organisten waren vooral bekend om hun improvisatiekunst en veel van Buxtehudes orgelwerken, met name zijn praeludia kennen een afwisseling tussen strikt gestructureerde, vaak fugatische gedeelten en betrekkelijk vrije passages waarin de organist zijn verbeelding kon botvieren en toch in een streng kader kon spelen.
Nog gangbaarder waren in Noord-Duitsland de orgelwerken die zijn gebaseerd op de melodie van een Luthers koraal (of hymne). Buxtehude concentreerde zich op het koraalvoorspel, als orgelkoraal een meditatieve reactie op de tekst van het koraal waarvan melodie en begeleiding op twee verschillende manualen worden gespeeld, en tevens op de complexere koraalfantasie waarin elke melodieregel van het koraal afzonderlijk wordt behandeld.
De kerkelijk vocale werken zijn voor het nageslacht bewaard gebleven omdat Gustav Düben, een vriend van Buxtehude en kapelmeester aan het Zweedse hof, de werken heeft gekopieerd.

Buxtehude schreef ook wereldlijke muziek voor andere toetsinstrumenten, meestal suites en variatiewerken.

Op het programma van het concert op 20 mei in De Open Hof is een keuze gemaakt uit de werken van de zeventiende-eeuwse toonkunstenaar.

.

Het concert wordt geopend met een Praeludium in g, met daarop volgend een drietal fuga’s, afgewisseld met korte divertimenten, die door de uitvoerend vrij te interpreteren zijn als zouden ze ter plekke zijn geïmproviseerd

‘Mit Fried und Freud’ is oorspronkelijk als vocaal werk geschreven ter gelegenheid van de begrafenis van Buxtehudes vader in 1674 op tekst van het Luhterse Nunc dimittis, de Lofzang van Simeon. Vier keer wordt de melodie zeer ingenieus gevolgd, de vierde keer zelfs gespiegeld als via een wateroppervlak. Het geheel wordt afgesloten met een Klaglied op een tekst die zou kunnen verwijzen naar een piëtistische interpretatie van het Requiem. Deze compositie is door de componist voor orgel bewerkt, het Klaglied zelfs met becijferde bas.

In de vier orgelkoralen zijn de bewerkte melodieën van de vooraf gezongen teksten van deze kerkliederen duidelijk te herkennen.

Het Te Deum Laudamus kent in de partituur de in het Latijn aangegeven delen. De overige teksten worden in het Duits gezongen. Qua opzet valt het Te Deum te rangschikken onder het hoofdstuk Koraalfantasie, waar in dit qua opzet doorgecomponeerd werk de diverse tekstregels afzonderlijk en met grote vrijheid worden bewerkt.

De geschiedenis van de vocale werken is in nevelen gehuld. Men is geneigd aan te nemen, dat ze geschreven zijn voor de zg. Abendmusiken, maar zeker is dat allerminst.

Het lijken bij een eerste kennismaking werken met een eenvoudige structuur, maar zijn dit bepaald niet.

Het ‘In te domine speravi’ is gebaseerd op een tekstgedeelte uit Psalm 130.

De cantate ‘Jesu, meine Freude’ heeft als tekst het gelijknamige Lutherse zondagslied voor zondag Laetare, te zingen op deze zondag in de Vastentijd, maar evenzo als een cantate, uit te voeren bij een begrafenis.

‘Lobet Christen, euren Heiland’, met de latijnse titel ‘Lauda Sion Salvatorem’, is duidelijk als Advents-en/of Kerstcantate bedoeld.

JT

 

De Gooi en Eemlander - 21 mei 2007

VESPERCANTORIJ EERT COMPONIST BUXTEHUDE

Het zondagmiddagconcert in De Open Hof in Soest sloot aan bij de vele concerten dit jaar, waarin de driehonderdste sterfdag van Dietrich Buxtehude wordt herdacht. Buxtehude wordt vaak gezien als voorloper van Johann Sebastian Bach, maar in de concerten met zijn werk die nu in het hele land worden georganiseerd, laat hij zich kennen als een zeer originele componist. Hij schreef vooral geestelijke cantates en orgelwerken. Niet voor niets ging de jonge Bach 300 kilometer te voet naar Lübeck om te horen hoe deze componist zijn werk uitvoerde.

De uitvoering in Soest liet een staalkaart van Buxtehudes componeerstijl horen. Organist Cees van der Poel opende met het gaaf gespeelde Praeludium in g (BuxWV 149). In dit werk was de vooruitstrevendheid van Buxtehude te horen in de voor die tijd gewaagde harmonische wendingen en chromatiek. Ook uit de vijf uitgevoerde orgelkoralen sprak het vakmanschap van Buxtehude; de koraalmelodie soms helemaal verstopt in de rijk versierde zetting. Door de uitgelezen registratie van het orgel en het fraaie spel waren de lijnen goed te volgen. Interessant was dat de cantorij steeds een eenvoudige zetting zong van het betreffende koraal, wat de herkenning van de koraalmelodie in het orgelwerk gemakkelijker maakte.

In twee geestelijke werken voor koor (‘Jesu, meine Freude’ en ‘Lobet, Christen, euren Heiland’) werd een klein instrumentaal strijkersensemble ingezet. Dit was slechts een zwakke afspiegeling van de bijzondere instrumentaties die Buxtehude voorschreef. Om hiervan een indruk te krijgen moeten we eind augustus naar het Festival Oude Muziek in Utrecht, waar Buxtehude ook uitgebreid aan bod komt.

De Vespercantorij, bestaande uit elf mannen en evenzoveel vrouwen, zette een uitstekende prestatie neer. Aan het begin van het concert was er even een verkeerde inzet, maar daarna was alles prima in orde, mede doordat de koorleden steeds goed opletten op dirigent Jean Telder. Het koor heeft een evenwichtige klank, met een aantal prachtige altstemmen. Twee zangers uit het koor zongen de solopartijen in ‘Jesu meine Freude’. Sopraan Lucia van Vugt heeft een fraaie volle stem. Haar teksten waren uitstekend verstaanbaar, bij haar collega Wim Koedijk die de bas-soli voor zijn rekening nam was dat minder het geval.

Aan het slot van het lange concert klonk het omvangrijke Te Deum Laudamus. De cantorij werd in twee groepen opgesteld en zong in beurtzang steeds de simpele koorpassages tussen de ingewikkelde orgelzettingen waarin Buxtehude alles uit de kast leek te hebben getrokken.

JOSEE ZUIVER